De Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2012 treedt in werking met ingang van 1 november 2012 en werkt terug tot 1 januari 2012.
De Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2010 wordt ingaande 1 november 2012 ingetrokken.
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 30 oktober 2012.
A.Middelkamp R. Jager
Griffier Burgemeester
,
Algemene toelichting
Ter bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden is de Wet werk en bijstand per 1 januari 2012 aangepast. Het pakket maatregelen heeft tot doel het versterken van het activerende karakter van de Wet werk en bijstand.
Dit gebeurt enerzijds door het aanscherpen van de verplichtingen waaraan uitkeringsgerechtigden moeten voldoen, anderzijds door een aantal maatregelen te treffen waardoor de vangnetfunctie van de Wet werk en bijstand wordt versterkt.
De belangrijkste maatregelen zijn het aanscherpen van de regels ten aanzien van jongeren tot 27 jaar die thans onder de Wet investeren in jongeren vallen en het overhevelen van deze categorie naar de Wet werk en bijstand, de maximering van het gemeentelijk minimabeleid en de introductie van de mogelijkheid om de verplichting op te leggen om maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten als tegenprestatie voor bijstandsverlening.
De Wet werk en bijstand bepaalt, dat het door de gemeente gevoerde beleid ten aanzien van de verhoging of verlaging van de norm wordt vastgelegd in een verordening. Uit de verordening moet blijken voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria het bedrag van de verhoging of verlaging wordt vastgesteld. Aanpassing van de verordening aan voormelde wijzigingen in regelgeving is dan ook noodzakelijk.
De rijksnormen zijn gebaseerd op de leefvorm van de belanghebbende. Dat wil zeggen dat daarin geen verdere
differentiatie wordt aangebracht dan die tussen een gezin, alleenstaande ouders en alleenstaanden.
De rijksnormen voor personen van 21 tot 65 jaar zijn:
a) voor gezinnen 100 % van het netto minimumloon;
b) voor alleenstaande ouders 70 % van het netto minimumloon;
c) voor alleenstaanden 50 % van het netto minimumloon.
Het uitkeringsniveau voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder berust op de veronderstelling, dat de kosten van het bestaan geheel met een ander kan delen. Als dat niet het geval is, kan de gemeente deze rijksnorm verhogen met een gemeentelijke toeslag, die maximaal 20% van het netto minimumloon bedraagt.
Middels een gemeentelijke verordening wordt de bevoegdheid tot het maken van keuzes over de verlening van algemene bijstand versterkt, waarbij het niet gaat om een technische uitwerking van details, maar om inhoudelijke beleidskeuzes.
De volgende uitgangspunten liggen hieraan ten grondslag:
een zodanige vereenvoudiging van de normering dat ongewenste en frauduleuze gedragseffecten tot een minimum worden beperkt;
het bieden van voldoende rechtswaarborgen voor de belanghebbenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
een zodanige afstemming van de hoogte van de uitkering dat het beginsel van bijstand als vangnet blijft bestaan, de verordening kan er dus niet toe leiden, dat complementair aan andere voorzieningen waarvoor de rijks-verheid al normen heeft gesteld, bijstand wordt verleend;
het beginsel van ‘’werk boven uitkering’’ dient ook in de verordening zijn weerklank te vinden;
uitvoering van de verordening dient betaalbaar te zijn.
Verder schrijft de Wet werk en bijstand voor, dat de verhoging voor alleenstaanden en alleenstaande ouders die alleen wonen wordt gesteld op de maximale toeslag. Reden hiervoor is dat deze categorieën van personen in een situatie verkeren waarin zij, in het algemeen, de algemeen noodzakelijke bestaanskosten in het geheel niet met een ander kunnen delen.
Bij het opstellen van de verordening zijn de volgende onderdelen aan voormelde uitgangspunten getoetst:
a) forfaitaire toeslagen / verlagingen dan wel concrete toeslagen / verlagingen;
b) wel of geen nadere bepalingen bij specifieke woonsituaties;
c) schoolverlaters wel of niet tijdelijk een lagere norm of toeslag;
d) alleenstaanden van 21 jaar of 22 jaar wel of niet een lagere toeslag;
e) wel of geen gebruik maken van de wettelijke mogelijkheden voor categoriale verlagingen bij
uitkeringsgerechtigden van 18 jaar t/m 20 jaar;
f) minimaliseren van ongewenste situaties.
Ad a
De schaalvoordelen concreet berekenen en toerekenen aan de hoogte van de toeslag is uiterst arbeidsintensief, niet te handhaven en discutabel aangezien ook de wettelijk vastgestelde bijstandsnormen forfaitair zijn vastgesteld. Gelet op de uitvoerbaarheid is gekozen voor de forfaitaire variant.
Eenvoudig en duidelijk voor belanghebbenden is een onderscheid te maken tussen degene die alleen woont en degene die niet alleen woont. Gelet op de forfaitaire normensystematiek van de wet zelf past een percentage van 20% van de gehuwdennorm voor belanghebbenden die niet alleen wonen. Dit vormt dan ook de basis voor de verordening.
Ad b
In artikel 27 van de Wet werk en bijstand is de bevoegdheid neergelegd om de toeslag of norm lager vast te stellen bij een specifieke woonsituatie waarbij belanghebbenden lagere algemene bestaanskosten hebben. Dit kan het geval zijn bij krakers of personen zonder vaste woon- en verblijfplaats. Om te voorkomen dat belanghebbenden zonder woonkosten net zo veel of zelfs nog meer ontvangen dan belanghebbenden die weliswaar de woonkosten delen, maar toch een substantieel deel zelf moeten voldoen, is het wenselijk van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Het accent is in deze verordening gelegd op een verifieerbare situatie om een toeslag te kunnen verlenen.
Ad c
Studenten hebben in de regel een toelage ontvangen krachtens de Wet studiefinanciering 2000 dan wel een
tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Het is niet de bedoeling, dat schoolverlaters hun carrière met een uitkering beginnen. Als dit onverhoopt toch het geval is, dient de prikkel om arbeid te aanvaarden maximaal benut te worden. Dit past in het uitgangspunt ‘’werk boven uitkering’’.
Door afschaffing van de inwonende norm en de toets op het huishoudinkomen waarbij de veelal thuiswonende (ex)student voortaan valt onder het gewijzigde begrip van ‘gezin’ en waarmee de arbeidsprikkel nog verder wordt versterkt, kan afwijkende regelgeving voor deze categorie achterwege blijven.
Ad d
Al bij de Algemene bijstandswet werd gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de toeslag voor alleenstaanden van 21 jaar of 22 jaar lager vast te stellen om zo - gelet op de hoogte van de minimum jeugdlonen - de arbeidsprikkel te handhaven.
Ad e
Geen gebruik wordt gemaakt van de wettelijke mogelijkheid (artikelen 26 Wet werk en bijstand) voor categoriale verlagingen bij zelfstandig wonende uitkeringsgerechtigden van 18 jaar t/m 20 jaar. Deze uitkeringsgerechtigden hebben al een lagere jongerennorm, omdat zij in principe een beroep kunnen doen op de ouderlijke onderhoudsplicht. Een verdere verlaging van deze norm leidt tot inadequate bijstandsverlening en is daarom in de verordening uitgesloten.
Wanneer het niet toepassen van deze verordening op uitkeringsgerechtigden van 18 jaar t/m 20 jaar onredelijke uitkomsten geeft, blijft de bevoegdheid bestaan om op grond van artikel 18, lid 1, van de Wet werk en bijstand de bijstand lager vast te stellen.
Ad f
Indien toepassing van de regeling tot onbillijkheden leidt, blijft de bevoegdheid van artikel 18 lid 1 van de wet bestaan.
Artikelsgewijze toelichting