Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 22

Instandhoudingsbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening 2010 Gemeente Nuenen c.a.

1.. Het is verboden om in een op de bij deze verordening behorende ‘Beleidskaart archeologie gemeente Nuenen’ als zodanig aangegeven: Beschermd archeologisch monument; Gebied van archeologische waarde; Gebied met een hoge, middelhoge of lage archeologische verwachtingswaarde; de bodem dieper dan 30 cm onder maaiveld te roeren (bij esdekken dieper dan 50 cm onder maaiveld). 2.. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: het een roeren betreft dat dieper dan 30 cm onder maaiveld (en bij esdekken dieper dan 50 cm) gaat en waarbij die verstoring plaatsvindt: 1. in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde en de bodemingreep of het te bebouwen oppervlak kleiner is dan 10.000 m2, of; 2. in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en de bodemingreep of het te bebouwen oppervlak kleiner is dan 2.500 m2, of; 3. in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en de bodemingreep of het te bebouwen oppervlak kleiner is dan 500 m2, of; 4. in een gebied van archeologische waarde en de bodemingreep of het te bebouwen oppervlak kleiner is dan 100 m2; in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg en dit bestemmingsplan na de vaststelling van het gemeentelijke archeologiebeleid is vastgesteld; sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; het bevoegd gezag nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die kunnen leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied, zoals aangegeven op de ‘Beleidskaart archeologie gemeente Nuenen’, mits het roeren als bedoeld in lid 1 overeenkomstig deze nadere regels plaatsvindt; een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: 1. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of 2. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of 3. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel