Cijfers
Delict:
2007
2008
2009
2010
2011
Vernieling auto
80
64
70
56
59
Vernielingen openbaar vervoer/abri
2
2
2
4
1
Vernieling aan openbare gebouwen
15
25
15
24
9
Vandalisme / baldadigheid
20
29
34
24
22
Vernieling overige objecten
132
164
100
83
74
Openlijk geweld goederen
3
1
1
0
0
Overlast van/door jeugd
190
151
135
114
68
Brand/brandstichting
78
54
80
57
67
Lokale actiepunten
Overlast werd door de werkgroep die zich bezighield met dit onderwerp gezien als een gezamenlijk probleem. van de overlastgever en degene die overlast ondervindt, maar ook van de gemeente, politie en bewoners.
Overlast is lastig te definiëren: waar de ene vindt dat er overlast is, vindt de andere dat het normaal gedrag is. Daarom is het belangrijk om bij meldingen altijd te kijken wie de melder is en of hij al heeft geprobeerd om de overlastgevers aan te spreken. De werkgroep vindt het een verantwoordelijkheid van de bewoners zelf om mensen aan te spreken bij overlastsituaties. Er moet meer bewustwording komen dat kinderen buiten mogen spelen. Verbetering van het verantwoordelijkheidsbesef bij ouders en omwonenden kan bijvoorbeeld via verenigingen en scholen bereikt worden. Ook een burendag, zoals die ook bij het onderwerp verkeersveiligheid is genoemd, kan hier aan bijdragen.
De gemeente wordt gevraagd om te zorgen voor voldoende plekken voor kinderen en jongeren en voor inzet op overlast door middel van jongerenwerk en straathoekwerk. Het college heeft echter binnen de kerntakendiscussie voorgesteld om te bezuinigen op jongerenwerk. Leegstaande panden zijn locaties die overlast aantrekken. Deze plekken moeten volgens de werkgroep bestempeld worden als verboden toegang, zodat de politie beter kan handhaven. De werkgroep geeft tevens aan dat mensen bij problemen direct de politie moeten bellen en niet moeten wachten tot de wijkagent toevallig langs komt. Tot slot stelt de werkgroep voor om met behulp van zwerfvuilacties leerlingen zwerfvuil op te laten ruimen.
Koppeling gezamenlijk deel
Overlast en vernielingen staat niet als zodanig uitgewerkt in het gezamenlijke deel, maar is breder genomen. In paragraaf 3.5 staan de maatregelen beschreven die de zes gemeenten samen gaan nemen op het gebied van Jeugd en veiligheid.
Bij B1 van dat deel staat de maatregel 'onderzoek doen of jeugd/jongerenwerk effectief wordt ingezet […]'. Deze maatregel is ook genoemd door het werkgroepje dat de actiepunten voor het onderwerp Overlast en vernielingen heeft opgesteld. Bewoners, inhoudelijk medewerkers en politie vinden de inzet van jongerenwerk en straathoekwerk zo belangrijk, dat het volgens hen een aparte vermelding moet krijgen in de actiepuntenlijst. Het college heeft echter binnen de kerntakendiscussie voorgesteld om het jongerenwerk niet voort te zetten.
Door de kerntakendiscussie c.q. -besluiten is ook de 'toeleiding naar intramurale activiteiten door jongerenwerk' (actiepunt D1 van het gezamenlijke deel) niet geborgd. Naast jongerenwerk is ook de toekomst van de jongerencentra nog niet bekend. Dit actiepunt moet daarom voor de gemeente Oldebroek breder gezien worden, activiteiten kunnen ook georganiseerd worden buiten jongerencentra. Dit neemt niet weg dat jongerencentra zeker een toegevoegde waarde hebben, als plek voor jongeren om zich (onder toezicht) terug te trekken.
In het gezamenlijke deel is een actiepunt mee genomen over de uitvoering van HALT-straffen op plekken waar het delict begaan is (actiepunt C1). Dit wordt in Oldebroek al zoveel mogelijk gedaan.
Actiepunt E van het gezamenlijke deel betreft een project seksuele weerbaarheid/jeugdprostitutie. Dit project loopt als pilotproject in het district Noordwest Veluwe tot en met 2012, met middelen van de provincie en centrumgemeente Zwolle. Hierna moet de gemeente zelf voor financiële dekking zorgen.
Het is nog niet duidelijk wat de effecten zijn van het project. An het einde van het project zal dit bekeken worden en pas dan wordt er een beslissing genomen over het wel of niet voortzetten van het project
Naar de inzet van een gemeentelijke ketenregisseur (actiepunt F) is al eens gekeken. Toen is besloten dat Oldebroek niet één casusregisseur wilt, maar dat er afspraken moeten komen tussen de hulporganisaties over de coördinatie van zorg. Per casus is 1 hulpverlener de coördinerende partij, afhankelijk van de organisaties die te maken hebben met de casus.
Dit heeft heel goed gewerkt, maar de afspraken worden nu minder goed nagekomen. Het actiepunt voor Oldebroek moet dus worden: verbeteren van de coördinatieafspraken met betrekking tot zorgcases.