**1..** In deze verordening wordt verstaan onder:
de wet: de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375).
het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek.
alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij dit bloedverwanten betreft in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij een van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.
alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij een van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.
gehuwde: een persoon die gehuwd is; hiermee wordt gelijkgesteld de geregistreerd partner en hiermee wordt gelijkgesteld de ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij dit bloedverwanten betreft in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij een van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.
gezin: dit zijn de gehuwden tezamen; de gehuwden met de tot hun last komende kinderen en de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen.
gezamenlijke huishouding: twee personen die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en die blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding danwel anderszins;
kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind of, voor de toepassing van de artikelen 9,9a, 25 eerste lid, 26 en 30,tweede lid van de Wet werk en bijstand, het in Nederland woonachtige pleegkind;
ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken;
zorgbehoefte: er is sprake van zorgbehoefte in het geval een opname in een inrichting of instelling ter verpleging of verzorging noodzakelijk zou zijn;
belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
woning: een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte,onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden; onder een woning wordt mede verstaan een woonwagen of een woonschip.
woonkosten:
indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende huurtoeslagtijdvak per maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag.
indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke lasten worden verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsaandeel van de onroerende-zaak-belasting, de brandopstalverzekering, het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten, erfpachtcanon, kosten van Vereniging van Eigenaren, kosten voor groot onderhoud en ingrijpende reparaties (volgens tabel Ministerie VROM bij vaststelling exploitatie-kosten woningbouwcorporaties). De te ontvangen belastingteruggave in verband met de hypotheekrenteaftrek dient op de verschuldigde rente in mindering te worden gebracht.
netto minimumloon: de gehuwdennorm, zoals die is bepaald in artikel 21 sub c van de Wet werk en bijstand.
marktconforme onderhuurprijs: marktconforme bruto onderhuurprijs bedraagt minimaal 15% van het netto minimumloon.
marktconform kostgeld: marktconform bruto kostgeld bedraagt minimaal 35% van het netto minimumloon.
marktconforme kamerhuurprijs: marktconforme bruto huurprijs bedraagt minimaal 20% van het netto minimumloon.
onderhuurder: degene die op commerciële basis een deel van de woning bewoont, waarin tevens de hoofdhuurder dan wel de eigenaar van de woning zijn hoofdverblijf heeft.
schoolverlater: de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
hoofdverblijf: een woning of wooneenheid waar belanghebbende zijn woonstede heeft of bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf, zoals bedoeld in boek 1, titel 3 van het Burgerlijk Wetboek;
hoofdbewoner: de eigenaar van een woning die tevens zijn hoofdverblijf in die woning heeft, dan wel degene die als enige een huurovereenkomst heeft met de niet in die woning wonende eigenaar van die woning;
**2..** De bovenstaande begrippen worden in dezelfde betekenis als in de wet gelezen. In geval van verschillen in omschrijving van de begrippen wordt de omschrijving gehanteerd die in de wet staat.
Hoofdstuk 1
Artikel 2.
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Winterswijk 2012