**1..** Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet dan wel de artikelen 30c lid 2 en 3 uit de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.
**2..** Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
**3..** Van een maatregel wordt afgezien indien:
**a..** Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;
**b..** De gedraging meer dan één jaar vóór de constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht betreft en als gevolg van die gedraging ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend;
**c..** De gedraging een schending van de inlichtingenplicht betreft en sedert het tijdstip van de gedraging vijf jaren zijn verstreken.
**4..** Voordat een maatregel wordt opgelegd of van een maatregel wordt afgezien wordt de belanghebbende van dit voornemen mondeling in kennis gesteld.
**5..** Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid, uiterlijk drie maanden na de datum van dit besluit.
Hoofdstuk 1
Artikel 2
- Het opleggen of afzien van een maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand