Het college kan de voorziening beëindigen indien een wijziging in de krachten en bekwaamheden van de jongere hiertoe aanleiding geeft, of indien de jongere die deelneemt aan een voorziening, zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 4 van deze verordening en/of zijn verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet niet nakomt en dit hem te verwijten valt.