Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 7

Ingangsdatum en tijdvak

Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren

1.. Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de verlaging opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging aan de jongere is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm. 2.. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de inkomensvoorziening nog niet is uitbetaald. 3.. Een verlaging wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een verlaging die voor een periode van meer dan driemaanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen. Artikel 8 Recidive 1.Indien de jongere zich bij herhaling schuldig maakt aan verwijtbare gedragingen, dan wordt de duur van de verlaging, onverminderd artikel 2, tweede lid, afgestemd op het aantal keren dat de jongere zich, inclusief de thans beoordeelde gedraging, in de voorafgaande periode van twee jaar aan verwijtbare gedragingen heeft schuldig gemaakt en waarbij een besluit tot het opleggen van een verlaging is bekend gemaakt. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld: het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, derde lid; een waarschuwing op grond van artikel 6. Bij de toepassing van het eerste lid kan het college gelijktijdig met het verlengen van de duur het percentage van de verlaging verhogen. Artikel 9 Samenloop van gedragingen Indien de jongere zich binnen één maand schuldig maakt aan meerdere gedragingen, dan stelt het college de hoogte van de verlaging vast met inachtneming van artikel 2, tweede lid, tot maximaal de som van de verlagingen. Indien de toepassing van het eerste lid resulteert in een verlaging van meer dan 100% dan wordt de resterende verlaging toegepast op de bijstand van de daaropvolgende kalendermaand. Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid Artikel 10 Indeling in categorieën Gedragingen van jongeren waardoor de verplichting op grond van artikel 45 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: het zonder geldige reden niet verschijnen naar aanleiding van een uitnodiging in verband met een onderzoek naar de arbeidsinschakeling; het onvoldoende meewerken aan de opstelling van een trajectplan gericht op de arbeidsinschakeling; het niet nakomen van gemaakte afspraken in het kader van de arbeidsverplichtingen, zoals opgenomen in de beschikking en/of een trajectplan; het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijk geachte medische behandeling. Tweede categorie: het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren; het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid; het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling; het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel 11 De hoogte en duur van de verlaging Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld op: 20% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; 100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel