Aan de medewerker wordt op diens verzoek een onbelaste aanvullende vergoeding voor de reiskosten woon-werkverkeer verschaft.
De aanvullende vergoeding wordt gefinancierd door het afzien van (een deel van) de bruto loonwaarde van de eindejaarsuitkering of het bruto maandsalaris van december.
Deze vergoeding wordt verstrekt ongeacht de wijze van vervoer.
De vergoeding voor de medewerker wordt vastgesteld op basis van het vaste reispatroon dat door het bevoegd gezag voor de medewerker is vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan van de methode dat een medewerker gemiddeld 214 dagen op fulltime basis heen en weer reist. Voor een parttimer geldt alles naar rato.
De reisafstand wordt bepaald aan de hand van de routeplanner van de ANWB met als optie de snelste route.
De maximale reisafstand woon-werkverkeer is vastgesteld op 150 kilometer heen en terug (75 kilometer enkele reis).
De aanvullende vergoeding voor reiskosten woon-werkverkeer bedraagt maximaal de persoonlijke fiscale ruimte van de medewerker voor het betreffende jaar.
De persoonlijke fiscale ruimte van de medewerker wordt bepaald door het aantal woon-werkverkeer kilometers te vermenigvuldigen met de fiscaal vrije vergoeding voor woon-werkverkeer die door de belastingdienst is goedgekeurd.
De hoogte van de fiscale voorziening wordt bepaald door de volgende rekenkundige formule:A x 2 x (214 xB/5) x CA is het rekenkundige getal op één decimaal achter de komma van de reisafstand. De factor 2 staat voor de reisafstand heen en terug. De factor 214 staat voor het aantal reisdagen per jaar, waarbij rekening is gehouden met kortdurende ziekte, vakantie of verlof. B is het aantal reisdagen per week en C is de maximale belastingvrije kilometervergoeding.Om het netto voordeel te bepalen, wordt de uitkomst vermenigvuldigd met het voor de medewerker van toepassing zijnde belastingtarief.
De conform lid 8 berekende persoonlijke fiscale ruimte van de medewerker wordt verminderd met de eventuele vergoeding woon-werkverkeer die de medewerker in het betreffende jaar heeft ontvangen.
De persoonlijke fiscale ruimte van de medewerker die resteert komt voor vergoeding in aanmerking en vormt voor de medewerker de maximale aanvullende vergoeding woon-werkverkeer.
De uitruil mag niet meer bedragen dan 30% van de pensioengrondslag.
Als peildatum voor de bepaling van de fiscale ruimte geldt 31 december van het kalenderjaar waarop de keuze van de medewerker betrekking heeft.