Voor de alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, niet zijnde een eerstegraads bloedverwant of –aanverwant en niet zijnde een ander waarmee een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, wordt de norm genoemd in artikel 21, onderdeel b, van de wet verhoogd met 20% van de gehuwdennorm, wanneer de woonlasten meer bedragen dan 18% van de gehuwdennorm;
Voor de alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, niet zijnde een eerstegraads bloedverwant of –aanverwant en niet zijnde een ander waarmee een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, wordt de norm genoemd in artikel 21, onderdeel b, van de wet verhoogd met 10% van de gehuwdennorm, wanneer de woonlasten minder bedragen dan 18% van de gehuwdennorm.
Hoofdstuk 3
Artikel 6
Toeslag voor niet alleenwonende alleenstaande ouder
Onderdeel van Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012