Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 14

Artikel 2.88

Gebiedsontzegging

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2010 APV

1.. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid aan diegene die zich gedraagt in strijd met de wettelijke bepalingen, als in de nadere uitwerking van dit artikel genoemd, een verbod opleggen zich te bevinden in een door de burgemeester aangewezen gebied en de daarin gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen. 2.. Het verbod geldt gedurende de periode van twee weken. De ingangsdatum staat in het besluit vermeld. 3.. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid aan diegene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd dat hij/zij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid bedoelde wettelijk bepalingen en/of de opgelegde gebiedsontzegging overtreedt, een verbod opleggen zich te bevinden in een door de burgemeester aangewezen gebied en in de daarin gelegen voor het publiek toegankelijk gebouwen en inrichtingen op de door de burgemeester genoemd tijdstippen voor een tijdvlak van acht weken. 4.. De burgemeester kan bepalen dat aan de gebiedsontzegging nadere voorwaarden worden verbonden. 5.. De burgemeester beperkt de in het eerste of derde lid genoemde geboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 6.. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod. 7.. Het gebiedsverbod geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Rechtspraak bij dit artikel