Burgemeester en wethouders kunnen –afgezien van de intrekkinggronden genoemd in artikel 1.6- een vergunning intrekken indien:
van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning; dan wel de datum of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden;
Van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt;
Het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende te beschermen.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 18
Artikel 2.96
Intrekken vergunning
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2010 APV