Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen.
Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
indien:
de vereiste spoed zich daartegen verzet;
de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
omstandigheden hebben voorgedaan;
de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college
of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7, lid 4
WWB werkzaamheden heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de WWB;
het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.
Hoofdstuk 4.
Artikel 10
Horen van belanghebbende
Onderdeel van Afstemmings- en fraudeverordening WWB en IOAW