Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een
commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie
onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken
van nieuw benoemde leden.
De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag
uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In
het verslag wordt ook melding gemaakt van een
minderheidsstandpunt.
Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau
gebeurt in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling
na de verkiezingen.
Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van
de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe
samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de
voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.
In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de
voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering
van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om de
voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.
Niet-raadsleden worden door de Raad in een raadscommissie benoemd
en leggen voorafgaand aan het uitoefenen van hun functie een eed af
ten overstaan van de voorzitter. Artikel 14 van de Gemeentewet is
hier van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor
“raad” wordt gelezen “raadscommissie”.
Hoofdstuk 2
Artikel 7
Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging raadsleden / burgercommissieleden
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad gemeente Nuenen 2010