Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2.

Artikel 3

Afwijzingsgrond

Onderdeel van Uitvoeringsbesluit Wet maatschappelijke ondersteuning 2012

Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien: Op grond van aanwijzingen die tijdens de indicatie duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de persoon met beperkingen problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget. De persoon met beperkingen op de dag waarop de Pgb periode zou aanvangen (anders dan ter zake van een kortdurend verblijf) in een instelling in de AWBZ of de zorgverzekeringswet verblijft. De gemeente, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige aangevraagd budget in zodanige mate niet voor de inkoop van diensten ten behoeve van het kind zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van de minderjarige tot gevolg zal hebben. de persoon met beperkingen zich bij een eerder toegekend persoonsgebonden budget niet aan de opgelegde verplichtingen heeft voldaan. De persoon met beperkingen een indicatie heeft voor Huishoudelijke Hulp 2 of thuisbegeleiding en er geen wettelijke vertegenwoordiger is die het pgb kan beheren, tenzij de persoon met beperkingen HH2 krijg op basis van een visuele beperking.

Rechtspraak bij dit artikel