Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Wijze van heffing en termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2013

De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren op de wijze zoals op de desbetreffende parkeerapparatuur is aangegeven, danwel middels een zogenaamde persoonlijk “in-voertuig” parkeermeter welke in werking is gesteld met een door/of namens de gemeente verstrekte smartcard. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, als het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, wordt geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving en moet worden betaald op het tijdstip van aanvraag tot het verlenen van de vergunning. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, in combinatie met artikel 8, onderdeel 2, wordt geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving en moet worden betaald op het tijdstip van aanvraag tot het verlenen van het abonnement. Een naheffingsaanslag moet direct worden betaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel