Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een
vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen
en/of parkeerapparatuurplaatsen.
Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen
van een vergunning.
Een vergunning kan worden verleend aan:
een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont
in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door
vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen
aanwezig zijn (categorie I);
een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een
beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar
belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders
te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en
die aantoont dat het in het belang van diens beroep- of
bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een
motorvoertuig te parkeren (categorie II);
een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd
voor autodate, waarvan de autodateplaats is gelegen in
een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door
vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen
aanwezig zijn (categorie III).
Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook
verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die
niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde
vereisten.
Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum
aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en
per categorie vaststellen.
Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen
verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een
goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een
vergunning voor categorie III kan het college voorschriften en
beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het
belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer
veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor
het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen
het stimuleren van selectief autogebruik.