De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat direct of indirect vanuit het belastingobject via de riolering wordt afgevoerd.
Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het belastingobject is toegevoerd of is opgepompt.
Indien er sprake is van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, ten derde wordt het aantal kubieke meters afvalwater evenredig toegedeeld.
Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.
Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van:
een watermeter waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
een bedrijfsurenteller waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met een vaste capaciteit in bedrijf is geweest, kan worden afgelezen. De vorige volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.
De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater via de gemeentelijke riolering is afgevoerd.
Artikel 4.
Maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van de rioolheffing 2013