**1..** De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;
**2..** De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;
**3..** De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 0 procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met twee of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;
**4..** Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:
bij ouders inwonende alleenstaanden van 18 jaar tot 21 jaar met een inkomen exclusief vakantiegeld, van ten hoogste 170 procent van de norm als bedoeld in artikel 26, onder a van de wet;
bij ouders inwonende alleenstaanden met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 met daarnaast een inkomen exclusief vakantiegeld, van ten hoogste 170 procent van de norm als bedoeld in artikel 26, onder a van de wet;
bij ouders inwonende alleenstaanden met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten met daarnaast een inkomen exclusief vakantiegeld, van ten hoogste 170 procent van de norm als bedoeld in artikel 26, onder a van de wet.
**5..** Geen recht op toeslag heeft de jongere, in wiens woning een ander eveneens zijn hoofdverblijf heeft en met wie hij samenwoont als bedoeld in artikel 3 van de wet en aan de jongere op grond van artikel 28, derde lid van de wet de norm alleenstaande of alleenstaande ouder is toegekend.
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Toeslagen
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren Zaanstad 2009