Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Toeslagen

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren Zaanstad 2009

1.. De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; 2.. De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft; 3.. De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 0 procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met twee of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft; 4.. Voor de toepassing van dit artikel wordt het niet ten laste komende kind met een in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogse het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor het hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinaniering 2000, niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. 5.. Geen recht op toeslag heeft de jongere, in wiens woning een ander eveneens zijn hoofdverblijf heeft en met wie hij samenwoont als bedoeld in artikel 3 van de wet en aan de jongere op grond van artikel 28, derde lid van de wet de norm alleenstaande of alleenstaande ouder is toegekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel