**1..** De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent
van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn
hoofdverblijf heeft;
**2..** De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10 procent
van de gehuwdennorm voor de jongere die met één ander zijn
hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;
**3..** De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 0 procent
van de gehuwdennorm voor de jongere die met twee of meer anderen
zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;
**4..** Voor de toepassing van dit artikel wordt het niet ten laste komende
kind met een in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogse het
normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor het hoger
onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinaniering 2000, niet in
aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
hoofdverblijf heeft.
**5..** Geen recht op toeslag heeft de jongere, in wiens woning een ander
eveneens zijn hoofdverblijf heeft en met wie hij samenwoont als
bedoeld in artikel 3 van de wet en aan de jongere op grond van
artikel 28, derde lid van de wet de norm alleenstaande
of alleenstaande ouder is toegekend.
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Toeslagen
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren Zaanstad 2009