Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.

Persoonsgebonden budget

Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dalfsen (Wmo besluit Dalfsen)

2.1. Een persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de Wet wordt alleen verstekt ten aanzien van individuele voorzieningen. 2.2. Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. 2.3. De bedragen voor een persoonsgebonden budget voor een zaak, worden bepaald als tegenwaarde van de zaak die de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. 2.4. Er vindt geen verstrekking als persoonsgebonden budget plaats als sprake is van overwegende bezwaren zoals genoemd in artikel 19 van de Verordening Wmo Dalfsen 2013. Dit is in ieder geval aan de orde als: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; de afgegeven indicatie voor hulp bij het huishouden korter dan of gelijk aan drie maanden is; uit onderzoek is gebleken dat de aanvrager een eerder persoonsgebonden budget niet in overeenstemming met doel en/of bestemming heeft ingezet; op grond van de progressiviteit van het ziektebeeld de aangevraagde voorziening zo snel weer door een aangepaste voorziening vervangen moet worden dat deze verstrekking zich daardoor niet leent voor een persoonsgebonden budget. 2.5. Er wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt voor het collectief vraagafhankelijk vervoer 2.6. De bedragen voor een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden bedragen: voor hulp bij het huishouden (HH1) € 16,18 per uur; voor hulp bij het huishouden waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist, door een persoon die daarvoor is opgeleid, werkzaam voor een instelling met HKZ keurmerk (HH2), € 20,54 per uur; vergoeding voor hulp bij het huishouden volgens HH1 bedraagt maximaal € 18,27 per geleverd uur, wanneer er sprake is van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, mits de aanvrager een overeenkomst heeft gesloten met een servicebureau PGB die de volgende zaken voor aanvrager regelt: bemiddeling; loonbetaling; loonadministratie; verzekering voor de loonbetaling bij vervanging bij ziekte; werkgeversaansprakelijkheidsverzekering; controle en financiële verantwoording naar de gemeente; actieve bemiddeling en vervanging bij ziekte en vakanties; verzorgen van de declaraties naar de gemeente van het PGB op basis van de werkelijk gewerkte uren, conform het gemeentelijk format; aanleveren van de werkelijk gewerkte uren aan het CAK voor berekening van de eigen bijdrage voor de cliënt; 2.7. Indexering vindt jaarlijks plaats op basis van de overheidsbijdrage in de arbeidsontwikkeling (OVA).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel