In deze afdeling wordt verstaan onder:
Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer;
inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
Besluit;
houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
drijft;
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
woning: gebouw dat voor bewoning gebruikt wordt of daartoe
bestemd is;
geluidgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover
die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt
of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken
van ten minste 11 m2;
geluidgevoelige gebouwen: gebouwen die op grond van artikel
1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
behorende bij de betreffende inrichting;
verblijfsruimten: ruimten als bedoeld in artikel 1.1, sub e
Besluit geluidhinder binnen geluidgevoelige gebouwen.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
2.20 van het Besluit gelden niet voor maximaal drie door het
college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
dagdelen.
In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid,
kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in
een of meer delen van de gemeente Valkenburg aan de
Geul.
Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor
het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
eerste lid aanwijzen.
Het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting mag in
geluidgevoelige ruimten van woningen van derden en
verblijfsruimten geen overmatige geluidoverlast
veroorzaken.
Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden verbinden aan
collectieve
festiviteiten ter voorkoming of beperking van
geluidhinder.
Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten
Het is een inrichting toegestaan maximaal negen incidentele
festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van
de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
festiviteit het college daarvan (schriftelijk) in kennis
heeft gesteld.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes
incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting
langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten
waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van
toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste
tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het
college daarvan (schriftelijk) in kennis heeft gesteld.
Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
kennisgeving
De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer
het college op verzoek van de houder van een inrichting een
incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
was, terstond toestaat.
Het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting mag in
geluidgevoelige ruimten van woningen van derden en
verblijfsruimten geen overmatige geluidsoverlast
veroorzaken.
Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden verbinden aan
incidentele festiviteiten ter voorkoming van geluidhinder;
zie artikel 2.21, lid 2 van het Besluit.
Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten
(Vervallen)
Artikel 4:5 Onversterkte muziek (Vervallen)
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze
toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of
handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de
omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
Bij de beoordeling of sprake is van geluidhinder gelden de
geluidsnormen conform de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
het Besluit. De beoordeling vindt verder plaats aan de hand
van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai,
1999.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Diegene die de zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat
dit voor omwonenden geluidshinder veroorzaakt.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de
Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het
Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.
Op de ontheffing als bedoeld in lid 3 is paragraaf 4.1.3.3
van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
toepassing.