Naar hoofdinhoud
De aanwijzing van de leden en plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur vindt plaats in de eerste vergadering van de raden in nieuwe samenstelling, te houden op de dag met ingang waarvan de leden van de raad in oude samenstelling aftreden. De raden sturen hiervan schriftelijk bericht aan het openbaar lichaam. De leden van het algemeen bestuur treden tegelijk af op de dag waarop de nieuw gekozen leden van het algemeen bestuur in functie treden. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van het algemeen bestuur, alsmede de voorzitter van de raad die hen heeft aangewezen, schriftelijk op de hoogte. Onverminderd het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, behouden leden van het algemeen bestuur, die ontslag hebben genomen, hun lidmaatschap totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien. Indien tussentijds een plaats van een lid openvalt, wordt zo spoedig mogelijk een nieuw lid of een plaatsvervangend lid benoemd. Artikel 8. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden aan het dagelijks bestuur, de voorzitter, de secretaris de penningmeester en de plaatsvervangend voorzitter. Het algemeen bestuur beslist omtrent schorsing en ontslag van de leden van het dagelijks bestuur, de voorzitter, de secretaris, de penningmeester en de plaatsvervangend voorzitter. In de regel zal het algemeen bestuur de burgemeester van de grootste gemeente die deelneemt aan deze regeling aanwijzen als voorzitter.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel