**1..** De belasting bedoeld in artikel 1, onderdeel a, wordt geheven:
op parkeerapparatuurplaatsen bij wege van voldoening op aangifte. Deze moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren en het parkeerkaartje moet daarbij op een van buitenaf duidelijk zichtbare en leesbare plaats direct achter de voorruit van het voertuig worden geplaatst. Van de verschuldigde belasting per tijdseenheid wordt op de parkeerapparatuur kennisgegeven;
op niet-parkeerapparatuurplaatsen bij wege van een schriftelijke kennisgeving, waarop het verschuldigde bedrag is vermeld, en moet worden betaald bij het uitreiken van die kennisgeving.
**2..** In afwijking van het bepaalde in het vorige lid onder sub a moet de belasting
overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van
het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van
de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of RFID-kaart inloggen op de centrale computer.
**3..** De belasting bedoeld in artikel 1, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
**4..** Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 6.
Wijze van heffing en termijn van betaling.
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2013