Aflossingsverplichting
Indien de debiteur een inkomen heeft op inkomensvoorzieningsniveau, bedraagt:
de aflossingsverplichting maximaal 10% van de van toepassing zijnde inkomensvoorzieningnorm per maand indien de vordering het gevolg is van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht;
de aflossingsverplichting maximaal 6% van de van toepassing zijnde inkomensvoorzieningnorm per maand bij overige vorderingen;
Indien de debiteur een inkomen boven inkomenvoorzieningsniveau heeft, bedraagt:
de aflossingsverplichting minimaal 10% van de van toepassing zijnde inkomensvoorzieningsnorm per maand, vermeerderd met 50% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke inkomensvoorzieningnorm, indien de vordering het gevolg is van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht;
de aflossingsverplichting minimaal 6% van de van toepassing zijnde inkomensvoorzieningsnorm per maand bij overige vorderingen, voor zover de vordering binnen 36 maanden volledig kan worden voldaan. Indien de vordering niet binnen deze termijn volledig kan worden voldaan, wordt de aflossingsverplichting vermeerderd met 50% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke inkomensvoorzieningsnorm.
Is sprake van bijzondere omstandigheden dan kan een betalingsregeling getroffen worden waarbij de aflossing op een lager bedrag wordt vastgesteld. Voorwaarde is wel dat de vordering binnen 36 maanden wordt voldaan.
Een debiteur die een inkomensvoorziening op grond van de WWB, IOAZ of IOAW heeft ontvangen wordt, wat betreft de hoogte van de vast te stellen aflossingsverplichting, gedurende een periode van 12 maanden na beëindiging van de inkomensvoorziening gelijkgesteld met een op grond van die wetten inkomensvoorzieningsgerechtigde onder de voorwaarde van nakoming van de aflossingsverplichting.
In geval van beslaglegging door een derde (een andere schuldeiser dan het college) kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d leden 1 en 2 van het Rv.
Het college is bevoegd om tussentijds de hoogte van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting te verhogen dan wel te wijzigen in een aflossingsverplichting ineens indien de gewijzigde omstandigheden van de debiteur daartoe aanleiding geeft of indien de debiteur desgevraagd geen informatie geeft over zijn omstandigheden.