Naar hoofdinhoud
Binnenhavengeld wordt niet geheven terzake van het gebruik van de haven: 1.. waarvoor zeehavengeld wordt geheven; 2.. met een vaartuig uitsluitend voor het in de haven dokken, het op of aan de werf herstellen, het voor de eerste maal vaarklaar maken, het ontschepen van doden mits: het gebruik niet langer duurt dan een periode van maximaal 60 dagen per kalenderjaar; de belastingplichtige bij de aangifte, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aangeeft gebruik te willen maken van de hierboven genoemde vrijstelling; de aangifte dient vergezeld te gaan van een door de scheepswerf afgegeven schriftelijke verklaring waaruit de inhoud van de voorgenomen handelingen of werkzaamheden blijkt; 3.. met een vaartuig in eigendom van het Rijk, Provincie, Gemeenten of Waterschappen;van deze schepen wordt evenmin kadegeld geheven, 4.. met een jol of een sloep welke tot de inventaris van een schip behoort; 5.. met pleziervaartuigen met een lengte kleiner dan vier meter; of met niet-gemotoriseerde pleziervaartuigen langer dan vier meter waarvan voortbeweging uitsluitend plaatsvindt door menskracht, zoals kano's, roeiboten en waterfietsen et een maximale lengte van tien meter; 6.. door de volgende schepen: motorpassagierschip De Zonnebloem met Rijnvaartnummer 2327391, vakantieschip J. Henry Dunant met Rijnvaartnummer 2322387 en het vakantieschip Prins Willem Alexander met Rijnvaartnummer 2325776; van deze schepen wordt evenmin kadegeld geheven; 7.. kadegeld wordt niet geheven van vaartuigen, waarvoor precariobelasting wordt geheven; 8.. de raad kan categorieën van vaartuigen, al dan niet onder het vaststellen van nadere voorschriften, vrijstellen van de verplichting tot betaling van binnenhaven- of kadegeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel