Opsporingsambtenaren.
De opsporing van de in artikel 44 strafbaar gestelde feiten is, naast aan de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die krachtens artikel 17 van de Wet economische delicten zijn belast met de opsporing van overtredingen van voorschriften gegeven krachtens artikel 10.23 van de wet.
De krachtens het eerste lid aangewezen personen dienen te zijn beëdigd volgens de regels die daaromtrent gesteld zijn bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 142, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.