Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 10

– Inwerkingtreding

Onderdeel van Toeslagen- en verlagingenverordening Wet Werk en Bijstand 2004

De verordening treedt in werking met ingang van 01 oktober 2004; De verordening toeslagen- en verlagingen van de bijstandsnorm gemeente Zwartewaterland, vastgesteld bij raadsbesluit van 20 december 2001 wordt per gelijke datum ingetrokken. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 1 juli 2004. De griffier, De voorzitter, Algemene toelichting. Inleiding. De verplichting tot het opstellen van een gemeentelijke verordening is opgenomen in de artikelen 8 en 30 Wet Werk en Bijstand (WWB). Hierin is aangegeven dat het gemeentebestuur bij verordening vaststelt voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van de verhoging of verlaging wordt bepaald. De reden dat gekozen is voor het voorschrijven van een gemeentelijke verordening is, dat langs deze weg de gemeentelijke bevoegdheid tot het maken van keuzes over verlening van algemene bijstand versterkt wordt. Het gaat daarbij niet om een technische uitwerking van nadere details, maar om inhoudelijke beleidskeuzes. De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan het normensysteem: vereenvoudiging van de normering zodanig, dat ongewenste en frauduleuze gedragseffecten tot een minimum beperkt worden (handhaafbaarheid); het bieden van voldoende rechtswaarborgen voor belanghebbende om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; een zodanige afstemming van de hoogte van de uitkering dat het beginsel van bijstand als vangnet blijft bestaan. De verordening kan er dus niet toe leiden dat aanvullend aan andere voorzieningen, waarvoor het Rijk reeds normen heeft vastgesteld, bijstand worden verleend; uitvoering van de verordening dient betaalbaar te zijn. Overname bestaand beleid in de nieuwe verordening. Het bestaande stelsel van toeslagen en verlagingen blijft in de nieuwe verordening intact. Verdere aanpassingen van het beleid is, gelet op de geringe wijziging van de WWB, op dit onderwerp naar ons oordeel niet aan de orde. Dit betekent dat in de nu voorliggende verordening slechts kleine wijzigingen zijn doorgevoerd ten opzichte van de oude. Deze wijzigingen hebben met name betrekking op de gebruikte terminologie. Zorgbehoevenden. Als gevolg van een amendement op artikel 3 en 4 van de WWB kan een gezamenlijke huishouding niet meer worden aangenomen tussen bloedverwanten van de tweede graad (broers en zussen) als één van de twee bloedverwanten zorgbehoevend is. De wetgever beoogt hiermee een alleenstaande (ouder) met een inwonende zorgbehoeftige broer of zus voor de bijstand een alleenstaande ouder te laten blijven. Hierdoor gaat voor bloedverwanten in de tweede graad dezelfde systematiek gelden als voor hulpbehoevende alleenstaanden en alleenstaande ouders. De uitbreiding van de kring van bijstandsgerechtigden door de introductie van genoemde zorgbehoeftige bloedverwanten in de tweede graad zal naar verwachting niet leiden tot een forse toename van het bijstandsvolume. B.Norm, toeslag en verlaging. Hoofdstuk 3 van de Wet Werk en Bijstand (WWB) kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. Dit systeem is grotendeels overgenomen uit de Algemene bijstandswet. In de WWB maakt het voor de financiering door het Rijk echter geen verschil of bijstand is toegekend als norm of als toeslag. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met 24 WWB. Hierbij is geen rekening gehouden met de vraag of lasten gedeeld, of juist geheel zelfstandig gedragen moeten worden. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de artikelen 25 tot en met 29 WWB. Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden. Verhogingen of verlagingen van de in de WWB vermelde bijstandsnormen is in de gemeentelijke verordening vastgelegd. C.Norm. Voor personen van 21 tot en met 65 jaar bestaat er een drietal basisnormen (artikel 21 WWB) te weten: Gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (is de gehuwdennorm) Alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm Alleenstaanden 50% van de gehuwdennorm. Toeslagen. Het meest eenvoudige, handhaafbare en duidelijke voor de belanghebbende is, een onderscheid te maken tussen degene die geheel zelfstandig woont en niet geheel zelfstandig woont. Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar ook de krant etc. gedeeld worden. De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering maximaal bedraagt voor: Alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm; Alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm. Verlagingen. De WWB noemt de volgende verlagingen: Verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden (artikel 26 WWB); Verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB); Verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie (artikel 28 WWB); De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 5 tot en met 7 van de verordening. 2 De toeslagenverordening. In artikel 8 lid 1 onder c jo artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de mate van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Het door het college voorgestelde beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus worden vastgesteld in de Toeslagen- en verlagingenverordening door de gemeenteraad, opdat het college het beleid kan uitvoeren. A.Categorieën. Artikel 30 WWB bepaalt dat de toeslagen- en verlagingenverordening een categoriaal karakter moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een forfaitaire benadering. In deze toeslagen- en verlagingenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan alle verlagingen die de WWB mogelijk maakt, behoudens de schoolverlatersregeling. In de praktijk blijkt bijstandsbehoevendheid van schoolverlaters voornamelijk veroorzaakt te worden door de economische omstandigheden. Bovendien kan niet zonder meer gesteld worden dat de noodzakelijke algemene kosten van het bestaan voor een schoolverlater lager liggen dan voor de niet-schoolverlater. Studenten hebben immers vaak een baantje gehad tijdens de studie en hebben daar hun bestaanskosten op afgestemd. Weliswaar wordt in de toelichting op artikel 28 WWB gesteld dat daarmee geen rekening mag worden gehouden, maar dat is in strijd met de opvatting van de CRvB ten aanzien van het met artikel 28 WW overeenkomstige artikel 36 (Zie CRvB 07-12-1999, nr. 98/1937 NABW). Het is niet nodig om in de Toeslagen- en verlagingenverordening alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen. Eenvoudigheidshalve is ook de werking van de verordening beperkt tot belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB de mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn dan een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden, ligt het voor de hand dat het college eveneens op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand aanpast. (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van de Toeslagen- en verlagingenverordening). 3 Berekening toepasselijke bijstandsnorm. In de WWB is –in tegenstelling tot in de Abw- niet voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden van het vervallen van het voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur van de WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd wordt. Voor de toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel uit. Omdat noch uit de wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat de wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een zwaarder gewicht te geven, blijft het bij voorrang toepassen van de verlaging op de toeslag de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de combinatie verlaging wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met de leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten. Bovenstaande in acht nemend kan de hoogte van de uitkering algemene bijstand voor personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden berekend: Basisnorm; Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande ouders) OF Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen bij gehuwden) Korten met verlaging wegens woonsituatie. De uitkomst van deze berekening laat een eventueel aan de orde zijnde afstemming van de bijstand bij wijze van individualisering onverlet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel