Naar hoofdinhoud
1.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2.. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid moet de belasting, indien het inwerking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door middel van het aanmelden bij de centrale computer, van het bedrijf waarmee de gemeente Den Haag een overeenkomst heeft gesloten, voor het verlenen van diensten op het gebied van telefonische betaling bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen, betaald worden binnen één maand na de dag waarop het belastbare feit heeft plaats gevonden. 3.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, voor het parkeren anders dan op parkeerapparatuurplaatsen, wordt geheven bij wege van betaling bij een betaalautomaat danwel bij wege van nota en moet worden betaald na afloop van het parkeren danwel terstond na aanbieding van de nota. 4.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Voldoening via een daartoe afgegeven machtiging tot automatische incasso wordt met betalen gelijkgesteld. 5.. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid kan de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, ingeval de vergunningsperiode minimaal 185 dagen bedraagt en de belasting wordt voldaan via een afgegeven machtiging tot automatische incasso, in twee termijnen worden betaald. Het eerste termijn-bedrag - de helft van de verschuldigde belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b - dient dan te worden betaald binnen een termijn van 30 dagen voor aanvang van de vergunningperiode. Het tweede termijn-bedrag dient te worden betaald binnen een termijn van 30 dagen voor aanvang van de tweede helft van de vergunningperiode. 6.. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. 7.. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften als voldoening op aangifte aangemerkt. 8.. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste tot en met het zesde lid gestelde termijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel