De opsporing van de in artikel 34 strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 141 en 142 zijnde de Buitengewone Opsporingsambtenaren van het Wetboek van Strafvordering genoemde Opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die krachtens artikel 18.4 van de Wet milieubeheer zijn belast met het toezicht op de naleving van voorschriften gegeven krachtens artikelen 10.23 en 10.25 van die wet.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de krachtens artikel 18.4, derde lid, van de wet aangewezen ambtenaren.