Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld op:
vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie als genoemd in artikel 6;
twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie als genoemd in artikel 6;
vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie als genoemd in artikel 6;
honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie als genoemd in artikel 6;
honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij gedragingen van de vijfde categorie als genoemd in artikel 6;
De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit tot verlaging met toepassing van dit hoofdstuk, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging in dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit tot verlaging wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 3, tweede lid van deze verordening en het besluit om te volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, zoals bedoeld in het vierde lid van dit artikel;
Het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het laatste besluit tot verlaging met toepassing van dit artikel, de verlaging op een hoger bedrag vaststellen en/of de duur van de verlaging verlengen. Bij herhaald verwijtbaar gedrag van dezelfde of een hogere categorie kan het college de bijstand voor onbepaalde tijd weigeren.
Het college kan afzien van het verlagen van de bijstand als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of het niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.