Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2013

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1. Parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; 2. Houder: degene die naar omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (Stb.496) aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven; 3. Parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer voor het verlenen van diensten op het gebied van telefonische betaling bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan. 4. Parkeerterrein: de als één parkeergelegenheid functionerende geheel van parkeerplaatsen en als zodanig aangegeven in een door het college openbaar te meken besluit betreffende de plaatsen aan de Behouden Haven, Burcht, Rozengracht en Eilanden; 5. Mantelzorgontvanger: degene met een indicatie voor mantelzorg van het CIZ of de WMO 6. Centrale computer: De computer van het Servicehuis Parkeer- en Verblijfsrechten bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren.

Rechtspraak bij dit artikel