In deze verordening wordt verstaan onder:
inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande
dat voor de zinsnede ‘een periode waarover een beroep op bijstand wordt
gedaan’ wordt gelezen: ‘de referteperiode’. Een bijstandsuitkering wordt, in
afwijking van artikel 32 van de wet voor de beoordeling van het recht op
langdurigheidstoeslag als inkomen gezien;
peildatum: datum waarop het recht op langdurigheidstoeslag is ontstaan;
referteperiode: periode voorafgaand aan de peildatum welke voor personen van
21 en 22 jaar 36 maanden bedraagt en voor personen van 23 jaar of ouder doch
jonger dan 65 jaar 60 maanden bedraagt;
sociaal minimum: 101% van de toepasselijke bijstandsnorm vermeerderd met de
maximale toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet;
wet: Wet werk en bijstand.