Lid 1
Voor de vergoeding van reis- en verblijfskosten geldt dat de plaats van tewerkstelling het beginpunt en het eindpunt is van de dienstreis.
Lid 2
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het bevoegd gezag de woning van de betrokkene of een andere plaats als beginpunt respectievelijk eindpunt van de dienstreis aanmerken, indien dit efficiënter is.