Lid 1
Het declareren van de reis- en maaltijdkosten geschiedt op een door het bevoegde gezag voorgeschreven wijze, onder overlegging van de vereiste bewijsstukken.
Lid 2
De aanspraak op een vergoeding vervalt, indien de betrokkene de declaratie niet indient binnen drie maanden na de maand waarop de declaratie betrekking heeft.