Lid 1
Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van de vaste toelage, een blijvende verlaging ondergaat, wordt door het college een aflopende toelage toegekend indien:
die blijvende verlaging tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelage, en
de ambtenaar de toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van de beëindiging of vermindering, gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
Lid 2
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid houdt de ambtenaar, die op het moment van beëindiging of vermindering 55 jaar of ouder is, een blijvende toelage indien de ambtenaar de toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van beëindiging of vermindering, de toelage gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
Lid 3
De toelage, bedoeld in het eerste lid, gaat op 55-jarige leeftijd over in een toelage, als bedoeld in het tweede lid, mits de ambtenaar de toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van beëindiging of vermindering, gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
Lid 4
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "wezenlijke onderbreking" verstaan een onderbreking van twee maanden.