**a..** Voor personeel, dat in dienst is getreden vóór 1 oktober 1999 geldt, dat de volgens artikel 1 vastgestelde duur van het vakantieverlof over het kalenderjaar waarin de leeftijd van 30 jaar wordt bereikt, wordt vermeerderd met 7,2 uur, vervolgens bij het bereiken van de leeftijd van 40 jaar wederom met 7,2 uur en verder bij elke 5 jaar ouder opnieuw met 7,2 uur, totdat bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar het aantal extra uren 43,2 bedraagt. Het vakantieverlof wordt afgerond op halve uren en zal maximaal 223,2 uren bedragen.
**b..** Voor personeel dat in dienst is getreden op of na 1 oktober 1999 geldt, dat de volgens artikel 1 vastgestelde duur van het vakantieverlof over het kalenderjaar waarin de leeftijd van 30 jaar wordt bereikt, wordt vermeerderd met 7,2 uur, vervolgens bij het bereiken van de leeftijd van 40 jaar wederom met 7,2 uur en verder bij elke 5 jaar opnieuw met 7,2 uur, totdat bij het bereiken van de leeftijd van 50 jaar het aantal uren extra 28,8 uren bedraagt. Het vakantieverlof wordt afgerond op halve uren en zal maximaal 187,2 uren bedragen.
**c..** De ambtenaar heeft de mogelijkheid om met ingang van 1 januari 1998 maximaal 21,6 leeftijdsverlofuren uit te laten betalen (voor deeltijders naar rato). Dit onder voorwaarde dat daartegen naar het oordeel van het college geen zwaarwegende financieel-organisatorische bezwaren bestaat.