Lid 1.
Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de
beoordeling van het recht op de aangevraagde voorziening, degene door
wie een aanvraag is ingediend en/of bij gebruikelijke zorg diens
relevante huisgenoten:
Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college
te bepalen toegankelijke plaats en tijdstip en hem te
bevragen.
Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een
of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of
onderzoeken.
Lid 2
Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
advies vragen indien:
Het handelt om een aanvraag van een persoon die niet eerder een
voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als
bedoeld in artikel 3 is gevoerd.
Het handelt om een aanvraag van een persoon die wel eerder een
voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel
3 heeft gevoerd, maar waarvan de (medische) omstandigheden
zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de
noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen
beïnvloeden.
Het college dat overigens gewenst vindt.
Lid 3
Belanghebbende verschaft aan het college die gegevens die noodzakelijk
zijn voor het beoordelen van de aanvraag.
Lid 4
Bij de advisering zal de International Classification of Functions
Disabilities and Impairments (de ICF classificatie) als begrippenkader
worden gehanteerd.
HOOFDSTUK 8.
Artikel 26.
Advisering
Onderdeel van Verordening Voorzieningen Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2013