Naar hoofdinhoud

Paragraaf 1

Artikel 1.1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Havenbeheersverordening Papendrecht 2011

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: binnenschip: schip, niet zijnde een zeeschip; economische vaart: het gebruik van het schip voor het doel waarvoor het gebouwd is en waarvoor de meetbrief is afgegeven; exploitant: eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip; gevaarlijke stoffen: stoffen die gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling kunnen opleveren, zoals vermeld in de International Maritime Dangerous Goods Code, de IBC Code, de IGC Code of het ADN, met uitzondering van eetbare oliën; haven: wateren binnen de gemeente die voor de scheepvaart openstaan, met uitzondering van de Rijkswateren; havenmeester: havenmeester van Papendrecht; havenwerken: alle tot de haven behorende kaden, kunstwerken, meergelegenheden, trappen, scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven, los- en laadplaatsen en dergelijke; jachthaven: het door het college aangewezen gedeelte van de haven bestemd voor gebruik door pleziervaartuigen; kapitein: degene die de feitelijke leiding over een zeeschip voert; ladingresiduen: de restanten van lading in ruimen of tanks aan boord die na het lossen en schoonmaken achterblijven, met inbegrip van restanten na lading of lossing en morsingen; petroleumhaven: gebied ingericht voor de afhandeling van een tankschip met onverpakte gevaarlijke vloeibare lading; pleziervaartuig: vaartuig dat is bestemd voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding; recreatievaart: het, al dan niet bedrijfsmatig, varen met of het gebruik van pleziervaartuigen; scheepsafval: afval, met inbegrip van residuen, niet zijnde ladingresiduen, en sanitair afval, dat ontstaat tijdens de bedrijfsvoering van een schip en dat valt onder de reikwijdte van bijlagen I, IV, V en VI van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, alsmede ladinggebonden afval, zijnde al het materiaal dat aan boord bij de stuwage en verwerking van de lading als afval overblijft, waaronder in ieder geval begrepen wordt stuwmateriaal, schoorpalen, laadborden, verpakkingsmateriaal, houten platen, papier, karton, draad of stalen banden; schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting; schipper: degene die de feitelijke leiding over een binnenschip voert; spudpaal: voorziening waarmee een schip zichzelf in de onderwaterbodem kan verankeren door middel van verticale meerpalen waarmee het schip zelf is uitgerust; tankschip: zee-of binnenschip, gebouwd voor of aangepast aan het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten; toestemming: vergunning, aanwijzing, ontheffing of vrijstelling; woonconcentratie: een groep van zich bij elkaar op het land bevindende woningen; woonschip: een schip dat uitsluitend of in hoofdzaak gebruikt wordt of bestemd is voor bewoning en dat een vaste verbinding heeft met de wal; zeeschip: schip dat wordt gebruikt voor de vaart ter zee of dat blijkens zijn constructie voor de vaart ter zee is bestemd en elk schip dat is voorzien van een document - afgegeven door het bevoegde gezag van het land waar het schip is ingeschreven - waaruit blijkt dat het geschikt is voor de vaart ter zee.

Rechtspraak bij dit artikel