Het is een ieder verboden voorzieningen of voorwerpen in, op,
onder of boven water te hebben, te plaatsen of aan te brengen,
indien daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
indien het betreft het hebben, plaatsen of aanbrengen van
scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen, en als zodanig in
gebruik zijn, om een schip te laden en te lossen.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
ontheffing verlenen.