Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 10

Artikel 10

Onderdeel van Kaderverordening subsidies provincie Groningen 1998

1. Onverminderd hetgeen in de volgende leden van dit artikel is bepaald zijn Gedeputeerde Staten bevoegd om te besluiten op aanvragen tot verlening van subsidies. 2. Provinciale Staten kunnen zich de bevoegdheid tot subsidieverlening voorbehouden. 3. Gedeputeerde Staten verlenen geen subsidie dan nadat zij over hun voornemen daartoe de meest gerede commissie uit Provinciale Staten hebben gehoord. 4. Het derde lid is niet van toepassing, indien het voornemen van Gedeputeerde Staten de verlening van een subsidie van f 10.000,- of minder betreft. 5. Het derde lid is eveneens niet van toepassing, indien het voornemen van Gedeputeerde Staten de verlening van een subsidie van f 25.000,- of minder betreft en het voornemen in overeenstemming is met op schrift gesteld beleid waarover Provinciale Staten eerder zijn gehoord. 6. Provinciale Staten kunnen bepalen, dat het derde lid in andere dan de in het vierde en vijfde lid bedoelde gevallen niet van toepassing is. 7. Indien de subsidie wordt verleend in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen, zijn Gedeputeerde Staten bevoegd om subsidie te verlenen tot de in het vierde en vijfde lid vermelde maximale bedragen per jaar gedurende maximaal vier opeenvolgende jaren. 8. In afwijking van het derde tot en met zevende lid zijn Gedeputeerde Staten zonder meer bevoegd om subsidie te verlenen, indien het maximale bedrag en de subsidieontvanger in de begroting van de provincie zijn vermeld.

Rechtspraak bij dit artikel