Naar hoofdinhoud
1. Behoudens het derde lid zijn tot onderhoud van kanalen en waterstaatswerken gehouden: zij, voor wie de verplichting uit een bijzonder reglement voort¬vloeit; zij, die of wier rechtsvoorgangers zich daartoe bij een verbintenis hebben verplicht; zij, die of wier rechtsvoorgangers zich metterdaad als onderhouds¬plichtigen hebben gedragen. 2. Voor zover ingevolge het eerste lid geen onderhouds¬plichtigen kunnen worden aangewezen, rust de onderhoudsplicht op de eigenaar. 3. Ten aanzien van natuurlijke kanaalwallen, voor zover deze begrensd worden door tot openbaar gebruik dienende werken, wegen, paden of terreinen, rust de onderhoudsplicht, tenzij anders geregeld, gemeen¬schappelijk ieder voor de helft op de onderhoudsplichtige van het kanaal enerzijds en die van de aangrenzende tot openbaar gebruik dienende werken, wegen, paden of terreinen anderzijds.

Rechtspraak bij dit artikel