Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de uit de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage 1994 voortvloeiende taken en bevoegdheden in het kader van de m.e.r.-procedure uit te voeren, met dien verstande, dat:
indien Provinciale Staten zowel initiatiefnemer als bevoegd gezag zijn, de bevoegdheid tot de vaststelling van het voornemen, bedoeld in artikel 7.13 van de Wet milieubeheer, blijft voorbehouden aan Provinciale Staten;
indien Provinciale Staten bevoegd gezag zijn, de bevoegdheid tot de vaststelling van de richtlijnen, bedoeld in artikel 7.15 van de Wet milieubeheer, blijft voorbehouden aan Provinciale Staten;
indien Provinciale Staten initiatiefnemer zijn, de bevoegdheid tot de vaststelling van het voornemen, bedoeld in artikel 7.13 van de Wet milieubeheer blijft voorbehouden aan Provinciale Staten.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 2.2
Delegatie bevoegdheden m.e.r.
Onderdeel van Omgevingsverordening provincie Groningen 2009