Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 4.27

Niet-agrarisch grondgebruik

Onderdeel van Omgevingsverordening provincie Groningen 2009

Een bestemmingsplan voorziet niet in de vestiging van nieuwe woningen en nieuwe niet-agrarische bedrijven. Onder de vestiging van een nieuw niet -agrarische bedrijf, bedoeld in het eerste lid,wordt niet verstaan het oprichten van bouwwerken en het gebruik van gronden ten behoeve van: het winnen en opslaan van water, grondwater, grondstoffen en gas; rioolwaterzuiveringsinstallaties; wetenschappelijk onderzoek door middel van het clustergewijs plaatsen van antennes en/of sensoren tot een hoogte van maximaal drie meter. sportkantines, sportdoucheruimten en kleedkamers alsmede gebouwen en bouwwerken ten behoeve van terreinonderhoud voor zover gesitueerd op- of aangrenzend aan een bestaand sportcomplex; gebouwen en bouwwerken ten behoeve van terreinonderhoud voor zover gesitueerd op- of aangrenzend aan een openbaar toegankelijk park of begraafplaats. Het eerste lid is niet van toepassing ingeval van hergebruik of verbouw van bestaande vrijkomende gebouwen. Het bestemmingsplan stelt regels over het in het derde lid bedoelde hergebruik. Deze regels voorzien in ieder geval in het volgende: de functie wonen wordt beperkt tot het hoofdgebouw; de verbouw vindt uitsluitend inpandig plaats; de ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande maatvoering, die bepaald wordt door de goothoogte, dakhelling, nokhoogte, nokrichting en oppervlakte, blijft gehandhaafd behoudens geringe uitwendige aanpassingen; de sloop van monumentale gebouwen wordt zo veel mogelijk voorkomen; de bedrijvigheid wordt beperkt tot de milieucategorieën 1 en 2, alsmede behorend tot categorie 3 voor zover naar aard en invloed op de omgeving met categorieën 1 en 2 gelijk te stellen bedrijvigheid, van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. Detailhandel wordt beperkt tot het aanbieden en verkopen van streekeigen producten op een vloeroppervlakte van maximaal 60 m2; de opslag van materialen of goederen op het erf anders dan ter verwezenlijking van de bestemming wordt uitgesloten. Ontheffing van het eerste lid is in ieder geval mogelijk voor de realisering van landgoederen; incidentele woningbouw ter verbetering van ruimtelijke kwaliteit; en de aanleg van recreatiebungalowparken en zelfstandige campings. Ontheffing wordt niet verleend als in de planvorming omtrent situering, omvang en vormgeving van het bungalowpark of camping onvoldoende rekening is gehouden met: het respecteren van historische gegroeide landschapsstructuur; het houden van afstand tot andere ruimtelijke elementen; de toereikendheid van de infrastructurele ontsluiting; de evenwichtigheid van de ordening, maatvoering en vormgeving van de gebouwen; de inpasbaarheid van de erfinrichting in het landschapstype; de wenselijkheid om voor de bedrijfsvoering niet noodzakelijke opstallen met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen op het bouwperceel te saneren. De in het vijfde lid, onder c, bedoelde ontheffing wordt geweigerd indien sprake is van vestiging in de ecologische hoofdstructuur, de Nationale Landschappen Middag-Humsterland en Drentsche Aa, het grootschalig open landschap en zones rond wierden, de besloten kleinschalige en open gebieden in Westerwolde, de glaciale ruggen, wierden en essen, aangegeven in bijlage 12, kaart 6. 8. Een bestemmingsplan stelt regels ten aanzien van de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande niet-agrarische bedrijven. Deze regels betreffen in elk geval: a. de beperking van de uitbreidingsmogelijkheden, niet zijnde biomassavergisting als industriële activiteit, tot een eenmalige uitbreiding van de totale vloeroppervlakte van de bestaande bedrijfsbebouwing tot een percentage dat de 20% niet mag overstijgen; b. de voorwaarde dat de uitbreiding niet leidt tot onevenredige aantasting van landschap, natuur en milieu en tot verkeersoverlast. Een bestemmingsplan bevat regels over de oppervlakte van woningen, aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen. Deze regels betreffen in elk geval: de beperking van de gezamenlijke grondoppervlakte van de woning, aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot een oppervlakte die de 300 m² niet mag overstijgen; de beperking van de gezamenlijke grondoppervlakte van aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen tot maximaal de oppervlakte van het hoofdgebouw. Het bestemmingsplan voorziet niet in de aanleg van grote infrastructuur zoals wegen, spoorwegen, buis- en hoogspanningsleidingen met uitzondering van de aanleg van infrastructuur binnen de in bijlage 11, kaart 5c aangegeven reserveringszones en het daar aangegeven zoekgebied.

Rechtspraak bij dit artikel