Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 23, onder b, c en d vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer
aantoonbare beperkingen het gebruik van een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 23, onder a, onmogelijk maken, dan wel
een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening, als bedoeld in artikel 23, onder a, niet aanwezig is.
Een collectief systeem niet toereikend is voor het vervoer op de korte afstand en in onder voorwaarden ook op het collectief systeem in individuele voorziening noodzakelijk is.
Hoofdstuk 5
Artikel 25
Het primaat van het collectief vervoer
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2013