**1.** Geen vergunning, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, is vereist voor de hierna aangeduide categorieën van ontgrondingen:
het aanleggen, onderhouden en verwijderen van waterstaatswerken door of op last van rijk of provincie uit te voeren;
het maken, wijzigen, onderhouden en verwijderen van funderingen en bouwwerken, het aanleggen, onderhouden en verwijderen van buisleidingen en kabels met toebehoren, het plaatsen, onderhouden en verwijderen van palen en andere in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen en het delven, openen en ruimen van graven;
het aanleggen, onderhouden, verruimen en verdiepen van watergangen, door of namens een met de zorg voor de waterhuishouding ter plaatse belast openbaar lichaam, ten behoeve van de waterhuishouding en/of de scheepvaart;
het aanleggen, onderhouden, verruimen en verdiepen van watergangen door een ander dan een met de zorg voor de waterhuishouding ter plaatse belast openbaar lichaam, mits deze
een bovenbreedte verkrijgen van niet meer dan 6,00 meter of
een bodembreedte verkrijgen van niet meer dan 3,00 meter;
het oprichten en veranderen van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer, bestemd tot het op of in de bodem brengen van afvalstoffen;
het aanleggen, onderhouden, wijzigen en verwijderen van openbare wegen, spoorwegen, pleinen, parken, plantsoenen, sport- en recreatieterreinen, natuurterreinen, parkeerterreinen, havens en vliegvelden;
het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van vijvers, waterpartijen, mestputten, reservoirs, bassins en dergelijke, mits zij zijn gelegen op erven bij woningen of bij agrarische bedrijven en de inhoud daarvan niet meer bedraagt dan 1000 m3;
het afgraven van depots van bodemmateriaal, tenzij deze buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer langer dan vijf jaar geleden zijn gebruikt voor het deponeren of het verkrijgen van bodemmateriaal;
de normale uitoefening van het landbouw-, tuinbouw- en bosbouwbedrijf alsmede het rooien of planten van bomen, planten of andere gewassen;
het doen van archeologische opgravingen door een rijksdienst, instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente die daarvoor een vergunning heeft ingevolge de Monumentenwet;
ontgrondingen, waarvoor op grond van een onherroepelijk geworden bestemmingsplan een aanlegvergunning is vereist of waarvoor op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een vrijstelling van een zodanig plan is verleend;
ontgrondingen, waarvoor op grond van een voorbereidingsbesluit een aanlegvergunning is vereist en waarvoor op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van het geldende bestemmingsplan is verleend;
ontgrondingen, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een in een niet langer dan 10 jaar geleden onherroepelijk geworden bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming, mits in de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften (beschrijving in hoofdlijnen) uitdrukkelijk is aangegeven dat de uitvoering van het plan een ontgronding inhoudt of insluit.
**2.** De in het eerste lid, onder d, f, h, k, l en m, genoemde vrijstellingen zijn niet van toepassing, indien:
in de grondlagen op grotere diepte dan 3,00 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld of de bodem van een water wordt ontgrond of
10.000 m3 bodemmateriaal of meer in depot wordt gezet of naar elders wordt afgevoerd.
De in het eerste lid genoemde vrijstellingen zijn niet van toepassing op ontgrondingen, die strekken tot of tot gevolg hebben het geheel of gedeeltelijk afgraven van dijken of voormalige dijken, het verflauwen van het talud van dijken of voormalige dijken, het verlagen van de kruin van dijken of voormalige dijken of het maken of wijzigen van doorgangen in of overritten over dijken of voormalige dijken.
Hoofdstuk
Artikel 1