Naar hoofdinhoud
Het aantal vliegbewegingen van luchtvaartuigen zoals genoemd in Artikel 3.2.6.3.1 onder a en b mag per kalenderjaar niet meer bedragen dan in totaal 14.000, waarin het aantal vluchten zoals genoemd in artikel 3.2.6.3.5 zijn inbegrepen. Hierbij geldt dat het opslepen van een zweefvliegtuig twee vliegbewegingen inhoudt, zijnde opstijging en een landing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel