De inburgeringsplichtige die ontheffing aanvraagt met een beroep op artikel 2.8a van het Besluit inburgering komt voor ontheffing in aanmerking wanneer:
Objectief kan worden vastgesteld, dat de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal voldoende is, en;
De inburgeringsplichtige de volgende documenten overlegt:
Een arbeidscontract met een duur van minimaal drie jaar met daarbij gevoegd een verklaring van de werkgever, waarin de aanvangs- en einddatum van het arbeidscontract en het niveau van de Nederlandse taal vermeld staan, en/of;
Bewijzen van bestuurs- of vrijwilligersfuncties of bewijzen van publieke optredens, waaruit blijkt dat aanvrager beschikt over goede beheersing van de Nederlandse taal in woord en geschrift en/of;
Bewijzen van opleidingen of cursussen en behaalde diploma’s, die weliswaar geen vrijstellingsgrond opleveren, maar waaruit wel blijkt dat betrokkene in voldoende mate ingeburgerd is.
Artikel 3
Aantoonbare inburgering en ontheffing
Onderdeel van Beleidsregels Wet inburgering Stichtse Vecht