Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.1

Geluidhinder

Onderdeel van Beleidsregel geluid 2017

Ongewenste of afwijkende geluiden in de woonomgeving kunnen bij bewoners tot irritatie, wrevel, afkeer, boosheid en ergernis leiden. Dit wordt geluidhinder genoemd. Of geluid daadwerkelijk tot hinder leidt, verschilt van persoon tot persoon en van situatie tot situatie. Wat voor de één een uitermate prettig geluid is, kan voor de ander een bron van ergernis zijn. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat hinderbeleving beïnvloed wordt door de volgende akoestische factoren: Het geluidsniveau; Frequentie van de hoge geluidsniveaus. Hoe vaker deze per jaar optreden, hoe eerder ze als hinderlijk worden ervaren; Aantal en spreiding van de geluidsevenementen; Tijdstip van de dag waarop geluid ten gehore wordt gebracht (dag, avond, nacht); Tijdsduur van het evenement; Maskerend effect door het overige geluid in de omgeving. Als geluid wegvalt tegen het omgevingsgeluid wordt het minder snel als hinderlijk ervaren; Karakter van het geluid. Impulsachtig, tonaal, muzieksoort (House, Pop, Klassiek etc.). Ook spelen zogenaamde niet-akoestische factoren een belangrijke rol. Voorbeelden zijn het zich wel of niet kunnen onttrekken aan de geluidbron (rustige plek zoeken, slaapverstoring), de wijze waarop men over de bron en de geluidsproducent denkt (attitude), verwerkingsgedrag, de bekendheid met het evenement (kwaliteit van de informatievoorziening richting betrokkenen) en de hoeveelheid publiek dat er op afkomt (wordt het breed maatschappelijk gedragen). Hoe wij omgaan met de hinderbeleving door met name de akoestische factoren staat beschreven in paragraaf 2.3 Kaders beleidsregel.

Rechtspraak bij dit artikel