De belastingaanslagen moeten worden betaald uiterlijk op de laatste
dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
aanslagbiljet is vermeld.
In afwijking van het eerste lid moeten voorlopige aanslagen worden
betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet
nog maanden in het belastingtijdvak overblijven, met dien verstande dat het
aantal termijnen tenminste twee bedraagt.
De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet
/ de kennisgeving en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet
1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is
het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig
wordt opgelegd met de vaststelling van de belastingaanslag.
Artikel 7
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van een Vermakelijkhedenretributie 2012