Naar hoofdinhoud
1. Een kamer heeft, behoudens het tweede en derde lid, vier leden, te weten: twee externe leden, onder wie de voorzitter, of een plaatsvervangende voorzitter en twee leden van Provinciale Staten. 2. De kamer, bedoeld in artikel 10, tweede lid, heeft drie leden te weten: twee externe leden, waaronder het lid, bedoeld in artikel 6, vierde lid, en één lid van Provinciale Staten. 3. Behandeling van klachten tegen gedragingen van ambtenaren vindt plaats in een kamer met enkelvoudige samenstelling, bestaande uit de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter. 4. De commissie wijst uit haar midden de leden en plaatsvervangende leden van de kamers aan overeenkomstig het eerste tot en met derde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel